Driehoekjes

De barsten huilden over het scherm van haar telefoon, in hun wanhopige poging contact te zoeken. Rechts onderaan kwamen verschillende barsten samen om tot ontploffing te komen. Het leek alsof je de scherfjes er daar uit kon pulken, maar het lukte haar niet. Haar gelakte nagels gleden tevergeefs over de krassen. Een paar mooie driehoekjes met een flinterdun, onzichtbaar beschermlaagje. Een kunstwerk eigenlijk, ware het niet dat ze ontstaan waren in een moment waarop ze de controle verloor, toen ze de telefoon tegen de deur smeet. Controleverlies zag ze als zwakte. Het was alsof haar hersenen haar lijf niet meer bestuurden soms. Alsof haar ledematen zomaar met dingen konden gaan gooien. Alsof haar mond zomaar woorden eruit schreeuwde en ze ze achteraf pas hoorde om ze te haten. Vol weerzin luisterde ze naar de echo. Het was haar bloed dat kookte onder de oppervlakte om daarna verslagen een weg terug te zoeken. Het kon geen uiting vinden. De teleurstelling probeerde ze eraf te wassen. Weg. Weg van haar lichaam dat een eigen weg begon in te slaan. Het lichaam waar ze geen contact meer mee kon maken. Die verdomde driehoekjes moesten scherven worden, dan konden ze nog eens geluk brengen.

Advertenties

Moeder aller seizoenen

De felle voorjaarszon op de ontluikende knoppen aan de verse, valse, veelbelovende takken en.

Binnen. In.

De mensen die verzuchten van de zon en de lente en “heerlijk” en genieten van hun maskerende zonnebril. “Nu zal het vast beter gaan” en.

Benul.

De doornen aan de gifgroene stelen van snijbloemen in cadeaufolie met een strikje en een stickertje van de winkel, “zo attent” en.

Godverdomme. Bloed.

Spelende kinderen op de straat en.

Helemaal. Niets.

De strepen van de zon door het veel te kleine nietsbeschermende “trendy” gordijn en.

Het nognetnietvoorjaar dat mij altijd nekt.

De klap als je net dacht, en.

Bitch.

Mensenverkeer

Met het betreden van een station, stap ik in het leven. De jongen die met een grote sporttas onhandig over zijn schouder slingerend staat te vloeken bij de kaartautomaat, het echtpaar van middelbare leeftijd in hun korte broek, slippers en regenjas op het natgeregende stalen bankje in de wind, de moeder die met een bakfiets vol jengelende kinderen noodzakelijk (?) telefoonverkeer verricht, het meisje dat met een dikke stationwagen wordt afgezet op het kleine, provinciale stationnetje en naar het spoor rent op het moment dat de trein al op het punt van vertrekken staat, en… ik. We zijn er allemaal, onderweg. We maken deel uit van de krioelende structuur van menselijk verkeer. In de trein treft de jongen een vriend en ik luister naar hun gesprek terwijl de trein zich in beweging zet en de weilanden aan me voorbij flitsen. De jongen blijkt onderweg naar de introductieweek in zijn nieuwe studentenstad. Dezelfde stad als waar ik ooit begon met studeren. Ik moet glimlachen om zijn nervositeit, maar vind zijn openheid ook verrassend. Hij weet niet wat hij moet verwachten. De vriend adviseert: “Het hangt er gewoon vanaf in welk groepje je zit. Je moet gewoon zo snel mogelijk beginnen met zuipen met elkaar, dan wordt het wel een beetje gezellig.” Uit het gesprek kan ik opmaken dat de adviserende vriend dit tafereel een jaar eerder heeft meegemaakt/ondergaan. Ik denk aan hoe ik zelf op die leeftijd niet meedeed met de introductieweek, te bang, en hoe ik een paar jaar later in een andere studentenstad een ouderejaars begeleider was van zo’n zelfde introductieweek. Dan ontstaat er commotie aan de andere kant van het gangpad. Een puberstelletje. Meisje: “Weet je zeker dat je ‘m niet in je tas hebt?” Jongen: “Nee, ik heb ‘m echt niet. Ik sta helemaal te shaken man. Geef je telefoon eens? Ik moet m’n ouders bellen.” Hij ziet er lijkbleek uit. Ik denk eerst nog dat hij zijn medicijnen kwijt is en probeer me al helemaal voor te stellen hoe heldhaftig ik al dan niet zou handelen als hij hulp nodig zou hebben. De overige inzittenden van de wagon lijken zich nog geenszins zorgen te maken. Dan hoor ik: “Hoi mam, kun je even op zoekmijniphone kijken?”

Wit

Ze leek jonger geworden. Ik condoleerde haar, stelde het verdriet vast – “Ja, dat is het, verdrietig,” zei ze – en ik zag in haar ogen hoe klein ze was. Een klein meisje in een grote vrouw die al een grootmoeder was. Het was voor het eerst dat ik haar breekbaarheid zag. Dat kan de dood dus met je doen. Een masker afgooien. Moegestreden. Het stelde me op een vreemde manier gerust. Heel even, even maar, voelde ik me sterk. Dat was niet waar het om ging en de aanleiding had beter kunnen zijn, maar het voelde goed. Ik kon nog met een ander meeleven en haar zien. Ik wist niet of ik het nog had. Alles liet me koud, al lange tijd. Even, heel even maar, voelde ik de drang om er te zijn. Een fractie en het was weer weg. Ze droeg wit en de donkerte in haar ogen stak daar scherp tegen af. Ik wreef over de stof rondom mijn eigen armen. Keek ernaar. Ook wit. Mijn ogen zag ik niet.

S. W. Wuivende bomen

Ruim acht maanden geleden, op ‘stille zaterdag’, vlak voor Pasen, werd mijn zoon geboren. Terwijl op vrijdagavond op vele plekken de Matthäus Passion door het land klonk, waren bij mij ’s nachts de weeën losgebarsten en in de ochtend van zaterdag 15 april zag mijn zoon het levenslicht. Mijn eerste woorden toen ik hem zag: “Dit kan toch niet?!” Zo voel ik me nog steeds als ik naar hem kijk. Ik kan me niet voorstellen dat het mijn kind is. Groter dan dit worden de wonderen niet. Zo’n prachtmensje, zo’n heel nieuw leven. Onwerkelijk.

Meer nog dan de geboorte van een kind, vond ik het de geboorte van een moeder. Ik voel een heel duidelijke scheiding: de ‘ik’ van vóór die ene ochtend, en de ‘ik’ van daarna. Mijn zoon leeft nu ongeveer even lang buiten mijn buik als dat hij binnen gedaan heeft. Ik mis hem in mijn buik. Ik mis hem als deel van mij. Ik mis een deel van mij. Het is alsof ik naakt op een open veld sta, onbeschermd, in de stromende regen, zonder dat ik me kan verroeren. En langs de kant -op verre afstand- staan allemaal mensen te kijken en te roepen en te vinden en te denken en te doen. Sommigen heel duidelijk, bijna het veld oplopend, hun armen uitstrekkend, hun monden bewegend, anderen stiekem, glurend vanachter een boom. Ik wil een grote mantel om me heen slaan en mijn kind daarbinnen vasthouden, troosten en beschermen. Ik wil mezelf bij elkaar houden. Ik wil met een mes op al die mensen achter de bomen af rennen. Ik voel me een leeuwin bij haar welp. Ik wil naar ze schreeuwen, dat ze mij niet mogen stelen. Dat ze mij moeten laten zijn. Mij, met hem, want hij is mij. Hij is nog een beetje mij. Tegelijkertijd heb ik nog nooit zó’n grote afstand gevoeld tussen mij en andere mensen, terwijl ik hun nabijheid ook niet ken. Ik snap niet waarom ze niet dichterbij komen. Ik snap niet waarom ik niet van deze plek kom. Ik ben uit mijn oude leven gerukt en op een open veld gegooid. Achtergelaten en weggerend, vastgeketend. Gelukkig heb ik hem. En hij heeft mij. Hij zal mij altijd hebben. Steeds een beetje minder mij en een beetje meer hem. Het duurt, tijd, voor een moeder om te zien: hij is niet mij, hij hééft mij. Het weten gaat, als vanouds, het voelen voor.

Ik kom vanzelf wel weer naar de bosrand. De regen zal wel stoppen. Nu nog even niet. De vier bomen in het zicht die mij scheiden van de rest zijn de vier jaargetijden. Ze zijn kaal nu. Kaal en een beetje wit. Het is winter en ik leef een jaar geleden. De tijd komt erachteraan. Ze hobbelt achter de gebeurtenissen aan. Ik wacht haar op en ik zal haar verwelkomen en vertroetelen. Ik zal mezelf weer vinden, voor mij, maar ook voor hem. Hij is de mooiste die ik ken.

I will be.

Herfst in de vier

De bomen staan scheef, de wolken drijven over. Het is augustus en ik nies. Een zwerm mini-spreeuwtjes vliegt over. Een paar auto’s in onnatuurlijke kleuren (paars, rood) rijden als verdwaald door de verder stille omgeving. De huizen liggen er verlaten bij. Vakantievierende bewoners hebben hun heil elders gezocht voor de zomer. Ze zijn op weg gegaan naar verre oorden met schreeuwende kinderen op de achterbank. De zomer die wel herfst lijkt. Vier scheve bomen zijn het, hoog en sterk en vol blad dat beschutting biedt. Het blad heb ik zien ontstaan. Bijna stuk voor stuk. Traag heb ik ze zien verschijnen, als beloftes van een leven lang.

De stammen staan scheef, de bomen leunen naar links. Ineens staan ze symbool voor de vier seizoenen, zoals ze daar naast elkaar staan. Muziek van Vivaldi zwelt aan in mijn hoofd. Ik zie vier scheve bomen en ik hoor de wind. Ruiken past er niet bij. Het raam zit dicht, er was een herriemakende hoosbui vannacht. Als mijn blik langs de bomen glijdt, wisselen de seizoenen elkaar in razendsnel tempo af. Het beeld versnelt. De terugblik op een jaar, zo gaat het ook in mijn hoofd, vooral als ik wil slapen, maar ook op willekeurig andere momenten. Zomer nu en veel. Er zijn nog veel meer bomen, verder nog, de wereld in. Ik adem ze op, ik snuif ze in. Ik kan niet meer kijken door het glas, al weet ik dat het mooi is, binnen en ook buiten. Ademen. Adem dan!

Contrasten zijn groot. De zonnebloemen laten na een warme dag hun hoofd hangen, terwijl de regen zich de volgende dag aftekent op de achtergrond. Alles wordt groener dan groen. De vier bomen roerloos, gelaten. Daarachter begint de wereld. De wereld roept, maar wacht.

Oktober en het waait nu wel erg hard. De zomer heeft niet eens bestaan. Ik moet terugschakelen naar een andere boom. De vertraging duurt gewoon te lang, maakt me bang. Niet nagekomen beloftes waaien weg, dwarrelen naar de vergetelheid.

En een fijne kerst, meneer, mevrouw

Zoals ze daar zaten;
de moeders weggezakt
in onze brakgeslapen
doorgezakte kussenbank
netjes proberend te lijken
de hakken knellend aan de voeten
voor de gelegenheid en het bezoek
Wij zagen ook wel
zonder hulp of wijn kwamen ze nooit
nee nooit meer overeind,
dit feest te boven
de haren grijzend
de brillen hangend aan een koordje
van nieuwsgierigheid naar óns
leven en de toekomst
die zij begonnen waren
en bewakend gadesloegen
met ingehouden bemoeienis
De vaders met hun ruggen
op een hoge stoel
bijeengeschoven
handen in de baard
voor semi-serieuze blikken
en een grap, roerend door de koffie
knipogend naar de grootgeworden kroost
die wij al waren
de emotie naar de vrouwen
toegeschoven en genietend
met afstandelijke warmte
Wij dan in het midden
lachend om het plaatje
en de spot die wij bedreven
wat hielden we van deze mensen
zonder dat we het zeggen konden
Woorden zouden daden worden
als zij het non-verbaal vroegen
en wij het zagen in de jaren
We proostten met de glazen
en de blikken naar elkaar
dit was weer een jaar
zoals het was
zo was het goed