Aside

Herfst in de vier

De bomen staan scheef, de wolken drijven over. Het is augustus en ik nies. Een zwerm mini-spreeuwtjes vliegt over. Een paar auto’s in onnatuurlijke kleuren (paars, rood) rijden als verdwaald door de verder stille omgeving. De huizen liggen er verlaten bij. Vakantievierende bewoners hebben hun heil elders gezocht voor de zomer. Ze zijn op weg gegaan naar verre oorden met schreeuwende kinderen op de achterbank. De zomer die wel herfst lijkt. Vier scheve bomen zijn het, hoog en sterk en vol blad dat beschutting biedt. Het blad heb ik zien ontstaan. Bijna stuk voor stuk. Traag heb ik ze zien verschijnen, als beloftes van een leven lang.

De stammen staan scheef, de bomen leunen naar links. Ineens staan ze symbool voor de vier seizoenen, zoals ze daar naast elkaar staan. Muziek van Vivaldi zwelt aan in mijn hoofd. Ik zie vier scheve bomen en ik hoor de wind. Ruiken past er niet bij. Het raam zit dicht, er was een herriemakende hoosbui vannacht. Als mijn blik langs de bomen glijdt, wisselen de seizoenen elkaar in razendsnel tempo af. Het beeld versnelt. De terugblik op een jaar, zo gaat het ook in mijn hoofd, vooral als ik wil slapen, maar ook op willekeurig andere momenten. Zomer nu en veel. Er zijn nog veel meer bomen, verder nog, de wereld in. Ik adem ze op, ik snuif ze in. Ik kan niet meer kijken door het glas, al weet ik dat het mooi is, binnen en ook buiten. Ademen. Adem dan!

Contrasten zijn groot. De zonnebloemen laten na een warme dag hun hoofd hangen, terwijl de regen zich de volgende dag aftekent op de achtergrond. Alles wordt groener dan groen. De vier bomen roerloos, gelaten. Daarachter begint de wereld. De wereld roept, maar wacht.

Oktober en het waait nu wel erg hard. De zomer heeft niet eens bestaan. Ik moet terugschakelen naar een andere boom. De vertraging duurt gewoon te lang, maakt me bang. Niet nagekomen beloftes waaien weg, dwarrelen naar de vergetelheid.

Advertenties
Aside

Waarom?

Mijn nichtje, volwassen nu, had als kind eens aan haar juf gevraagd: waarom worden we geboren en waarom bestaan we, om straks weer te gaan? Ze had deze zinnen opgevangen in een liedje van Marco Borsato. Ik vond het zo mooi dat ze dat had gevraagd, in deze bewoordingen. In groep 4 zat ze. Ik vond het getuigen van een tact en een gevoeligheid en een analytisch vermogen en een bewustwording van het leven en… nu ja, gewoon, van Ontdekking. Van onschuld bovendien. Het kind dat zich dingen af gaat vragen. In de mooiste woorden. Het kind dat écht luistert naar de woorden in een volwassen lied. Ik zag haar gaaf gezichtje met wat wilde plukken haar eromheen voor me. Rode blosjes op de wangen van de opwinding, van het spelen. En dan die grote ogen. En dat dan die vraag in haar opkomt en vooral ook: dat ze die dan stelt. Dat ze denkt: hee, ik hoor het antwoord helemaal niet in dat liedje. En dat die vraag dan voor haar juf vanuit het niets kwam. De juf die deze zinnen misschien níet herkende uit het liedje. De juf die dan denkt: jezus, hoe komt dat kind hierop? Wat moet ik daar nu mee? Hoe kan ik daar in hemelsnaam antwoord op geven? Ik zag het helemaal voor me, toen al, terwijl ik zelf ook nog niet veel meer dan een kind was.

Ik was er niet bij, maar ik had ‘via via’ over dit voorval gehoord. Ik moest denken aan mijn eigen meester uit groep 4 en stelde me voor hoe hij gereageerd zou hebben. De man met het grijswitte haar en de bril met het dikke, zwarte montuur. De brillenglazen waren zó dik dat je zijn ogen slechts als een waas zag. De man met de stem van een verstokte roker. De man met de brede stoppelkaken. Zijn stoppels waren ook grijswit, maar zo oud was hij volgens mij nog niet. In de veertig. Als hij liep -of gewoon maar bewoog- dan zwiepte zijn piekhaar heen en weer en dan zag je de rode hoofdhuid eronder. Zijn bewegingen kwamen altijd heftig over en zijn grondhouding was altijd een beetje boos. Ik geloof niet dat hij echt boos was, maar zo stonden de groeven in zijn gezicht gewoon. Als hij lachte, herkende je het pas als je ín zijn ogen keek (en dat was een hele opgave, met die brillenglazen ervoor). Het bulderend geluid erbij was eerder beangstigend, zeker voor een kind. Niet echt een prototype ‘meester groep 4′, maar ik mocht hem. Hij boezemde ontzag in. Ik wou dat ik hem zo’n vraag had durven stellen, al denk ik dat hij hem had weggewuifd. Ik denk dat hij gauw over iets anders begonnen was. Ontwijken is ook antwoorden.

Wat de juf van mijn nichtje heeft geantwoord, weet ik niet. Daar ging het ook niet om.

 

Aside

En een fijne kerst, meneer, mevrouw

Zoals ze daar zaten;
de moeders weggezakt
in onze brakgeslapen
doorgezakte kussenbank
netjes proberend te lijken
de hakken knellend aan de voeten
voor de gelegenheid en het bezoek
Wij zagen ook wel
zonder hulp of wijn kwamen ze nooit
nee nooit meer overeind,
dit feest te boven
de haren grijzend
de brillen hangend aan een koordje
van nieuwsgierigheid naar óns
leven en de toekomst
die zij begonnen waren
en bewakend gadesloegen
met ingehouden bemoeienis
De vaders met hun ruggen
op een hoge stoel
bijeengeschoven
handen in de baard
voor semi-serieuze blikken
en een grap, roerend door de koffie
knipogend naar de grootgeworden kroost
die wij al waren
de emotie naar de vrouwen
toegeschoven en genietend
met afstandelijke warmte
Wij dan in het midden
lachend om het plaatje
en de spot die wij bedreven
wat hielden we van deze mensen
zonder dat we het zeggen konden
Woorden zouden daden worden
als zij het non-verbaal vroegen
en wij het zagen in de jaren
We proostten met de glazen
en de blikken naar elkaar
dit was weer een jaar
zoals het was
zo was het goed

Aside

Hekomheind

De kinderen spelen in de stilte, hekomheind, en ik hoor ze denken. Ik hoor ze schoppen, ik hoor ze trappen, tegen een bal, en denken. Ik hoor ze denken: is dit het nou? Is dit nou waar ik goed voor ben? Ik zie ze spelen achter het bord verboden toegang en ik snap het wel. Ik hoor ze, luidkeels, vloekend, het hek verlaten, de straat opgaan. Klein zijn ze nog, maar ze ogen groot in hun zwarte jacks. Ze spelen, ze laten de bal op de rand van het trottoir terugkaatsen, vlak voor mijn raam in deze godverlaten, oude wanstaltige buurt met de seksshops om de hoek waar je de achteringang kan nemen voor je privacy. Dat staat aangeplakt aan de voorkant. De straat waar je een groot deel onder een viaduct doorloopt en waar je types tegenkomt waar je bang van wordt -zou kunnen zijn-, maar die misschien net zo bang zijn -zouden kunnen zijn- als jij. Je zou ze aan willen kijken om ze te peilen, maar dat kan niet, want als je de verkeerde aankijkt, kan het met je gedaan zijn.

Zo voel ik me in deze buurt, maar eenmaal binnen ben ik in een cocon, in het midden van deze stad. Hierbinnen sluit ik alles buiten en als ik naar buiten stap, doe ik dat voorzichtig. Mijn eerste stappen wankelen van de overgang. De kinderen kijken op. De grote jassen om hun kleine lijven. Ze zien mij keurig zijn en verwachten een preek, ik zie het in hun ogen. Ze verwachten dat ik ze vermanend toespreek, dat hun bal tegen mijn raam kan komen en dat dat niet de bedoeling is. Dat hun geschreeuw en gescheld mijn woonkamer binnendringt en dat ik daar niet van gediend ben, maar ik zeg het niet. Ik zeg niets van dit alles. Ik kijk het kind aan dat naar mij opkijkt, de bal even vasthoudt en ik zeg “hoi.” Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht en ik krijg een “hoi” terug. Hij wacht tot ik voorbij ben en gooit dan opnieuw. Om de hoek hoor ik dat ze verder praten in een taal die ik niet versta, maar het gaat niet over mij, zo veel hoor ik wel.

Ik zie mezelf lopen in een ruit die is beplakt met vuilniszakken en ik denk: misschien zie ik er niet keurig uit, ik weet niet wie ik ben, ik weet niet hoe ik oog. In mijn hoofd voelt het zo stil, dat alles vanbuiten dendert en langs mij schreeuwt. Mijn hoofd is in mijn lichaam als in een cocon en de wereld schreeuwt dat ik eruit moet komen. Ik loop een heel eind en mijn voeten doen zeer. Ik loop als een model op de catwalk door de vieze stad en ik vind haar prachtig, deze stad, om alles wat ik me herinner en wat hier was. Ik loop doelgericht, ik weet dat het zo overkomt, maar ik heb geen idee, want alles is veranderd. Ik volg gewoon de paden en de mensen en de stenen tot ik zie waar ik ben en ik voel me thuis. Ik luister naar het gepraat van mensen bij een stoplicht, ik volg twee oude mannetjes op sloffen met een hond, ik hoor een meisje – een studente naar ik schat – een vrouw de weg wijzen. Ze wil wel meelopen, maar de vrouw zegt dat dat niet hoeft, zo lukt het wel, en ik volg een jongeman die rookt en uitblaast in mijn pad. Als ik opzij stap om de geur te ontwijken, wijkt hij ook naar mijn kant, maar niet expres. Hij kijkt om en ziet me en ik lach en ik adem de vieze lucht dan maar in. Het is zoals het zijn moet. Hij versnelt zijn pas, als een schichtig hert voor de loop van een jachtgeweer. Ik zie de kinderen weer voorbij komen en ik hoor de bal. Het gestuiter van de bal voelt als een hartslag. Het hek omheint en het is de wereld in het klein. De straatlantaarn verlicht het stenen pad. Er komen meer kinderen bij die minder kind zijn, misschien niet eens. Ze praten met elkaar, ze drommen op. De voetbal klopt, de voetbal houdt niet op. Het leer kapot gespeeld, het leeft. Ik speelde ook, maar anders toch.

Aside

Oude Sake

Alsof hij een attractie was, zo dood in zijn kist, vroeg zijn vrouw aan de kinderen op straat of ze kwamen kijken. Oude Sake kijken. Ze stond in de deuropening aan het pad, wenkend. “Willen jullie hem nog even zien?” Dat wilden de kinderen niet. “Nu kan het nog!”

De kinderen draaiden zich om en liepen weg, de hoofden naar beneden, elkaar voortduwend om haast te maken. De vrouw sloeg tegelijk met haar ogen ook de deur dicht, nadat ze haar blik vluchtig op de hemel had gericht. Oude Sake was de haven in gefietst. Dichte mist. Alcohol in zijn lijf. Drie dagen was hij zoek geweest. Toen hadden ze hem uit het water gevist. Er waren dat jaar al drie mensen verdronken op die plek. De haven zorgde voor ernstige gezichten bij de volwassenen. Hun monden veranderden in starre streepjes. Als kind kon je dat onderwerp maar beter mijden. Geruchten dat oude Sake expres de haven was ingefietst, werden de kop ingedrukt. Hij had gewoon te veel gedronken en dan was er nog die mist. “Hij had zijn fiets bij zich.” Een tragisch ongeval.

De kinderen hadden nog nooit een dood persoon gezien. Ze vertelden elkaar hoe Sake eruit zou zien. Hoe zijn dood hem een nog gevaarlijker uiterlijk zou hebben gegeven dan zijn leven. Je kon maar beter bij die kist uit de buurt blijven. Hij kon je alsnog grijpen, met alle gevolgen van dien.

Nee, ze waren wel tevreden zo, de kinderen van de buurt. Tevreden met het nieuws dat oude Sake zich niet meer op straat begaf. Opgelucht dat ze hem niet meer zouden tegenkomen op de landwegen tussen de boerderijen van hun ouders. Als de vrouw van oude Sake alleen was, kwamen ze graag bij haar binnen voor de Bastognekoekjes die ze altijd uit de geel met blauwe verpakking tevoorschijn toverde. Zodra oude Sake echter in aantocht was, vluchtten de meisjes. Zijn vrouw bleef onverstoord met de gerimpelde kromgegroeide vingers aan het plastic peuteren om een nieuw stapeltje koekjes te bevrijden. De jongens waren stoer wanneer ze bleven, maar droomden ’s nachts van de zwarte ogen van oude Sake. Zijn haar lag als grijs touw op zijn hoofd en om zijn mond was het altijd een beetje bruin, van zijn pruimtabak. Als hij sprak, waren het altijd bedreigingen, en wie te dichtbij stond, zat onder de speekselspetters.

Tegen de vijfjarige Hindrik had oude Sake eens zijn mes getrokken. Hij had gezegd dat hij de oren van het jong eraf zou snijden. “Je luistert toch nooit, dus je hebt je oren niet meer nodig!” Hindrik had, zo klein als hij was, met zijn klompen uit alle macht tegen de schenen van oude Sake geschopt. Wekenlang liep de man scheldend, vloekend en krom van de pijn over straat, maar op een avond was hij toch excuses komen maken, bij de vader van Hindrik. Sindsdien stond Hindrik bekend als held.

Hindrik was twaalf toen zijn eigen vader overleed. Het was op die leeftijd dat hij voor het eerst een dood persoon zag, hoewel dat besef pas later kwam. Hij had hem zelf gevonden, in zijn bed, toen hij hem van moeder op een namiddag in juli moest roepen voor de thee. “Hij ligt te slapen en hij wil niet wakker worden,” had hij haar gezegd. Even later klonk de ijzingwekkende gil van zijn moeder die hem net zo in het geheugen gegrift bleef staan als de vieze, bruine mond van oude Sake. De vrouw van oude Sake leefde nog steeds en kwam als buurvrouw met de andere buurvrouwen zijn moeder troosten. De mannen uit de buurt werden opgetrommeld om de begrafenis te regelen. Die moest al na twee dagen plaatsvinden, want vanwege het warme weer werd de stank al gauw ondragelijk en het hout van de kist begon uit te zetten. Hindriks vader moest begraven worden voordat het hout uit elkaar zou barsten. Voor de zekerheid werd er touw omheen gespannen.

Oude Sake had dagenlang als attractie opengestaan voor wie maar wilde, maar van zijn eigen vader konden mensen een foto bekijken en dat was het dan. Hindrik was ervan overtuigd dat oude Sake wraak had genomen. Hij voelde aan zijn oren toen de kist van zijn vader definitief de grond in zakte.

Aside

Hiernamaals

Soms deed het pijn, de tijd. De tijd die voorbij ging. De tijd die voorbij was. Ongrijpbaar. Het was alsof alles uit haar handen glipte. Alsof ze niets daadwerkelijk kon vastpakken. Ze kon er alleen maar naar kijken, van een afstandje. Als ze te dichtbij kwam, was het weg.

Het was weg, omdat het al voorbij was. Het zweefde in haar hoofd, in haar herinnering. En hoe verder weg het raakte, hoe pijnlijker het werd, omdat het nog zo dichtbij was. Het was niet dat ze alles miste, waar ze naar keek, maar het was het besef dat het nooit meer terug zou komen. Het was het besef dat het iets was wat tot haar verleden behoorde. Het besef van de tijd. De tijd waar ze doorheen vloog. De tijd waarin zo veel steeds zo snel veranderde, maar tegelijk voor altijd hetzelfde bleef. De tijd waarin ze niet even rustig op adem kon komen om te blijven kijken. De tijd waarin ze niet wist waar ze was. De tijd waarin haar kinderen soms ouder waren dan zijzelf. De tijd waarin de doden nog leefden. Ze liet het over zich heen komen. Anders werd ze gek. Ze liet zichzelf zíjn.

Ze liet zich het kleine meisje zijn, voor wie gezorgd moest worden. En ze ging verder. Ze ging steeds verder terug. Ze pakte iets van vroeger en nam het mee naar nu. En dan klopte het niet meer. Dat was niet eerlijk. En ze snapte het niet. Want ze had het zo graag hier willen hebben. Maar het hoorde niet bij nu. Het hoorde bij toen. En toen, dat was al lang voorbij. Het was heel anders nu. En in haar hoofd maakte ze er nóg iets anders van, omdat dat kon. Dat deed ze niet expres, maar dat gebeurde gewoon. Dat kwam en ging.

Ze zat op de grens, op de rand van haar bed. Een vest om haar schouders. Het hoofd naar beneden gericht. De rug krom. De armen voor het lichaam, wachtend op wat komen ging. De handen scheef, gerimpeld. Even keek ze naar me op, maar haar ogen keken mij niet aan. Ik begreep wel, dat het kijken niet meer ging.

Aside

Zullen we nog eens

Zullen we nog eens spelen op de gang
als ze rinkelen met de schotels en de kopjes
en met het fonteintje zonder water
de vissen uitlachen in de vieze vijver
Zullen we de mensen napraten,
het gras maaien met onze grijpgrage handen
als het zomer is en de dagen veel te lang
Zullen we de tijd vergeten als het eten op is
en we rennen door de lege straten
tot ik je veilig vang
Zullen we nog eens samen
het bezoek ontvluchten
en doen alsof we reden hebben
bij elkaar te zijn