Levensleugen

Dat het vaak om vorm gaat
en niet om inhoud
Dat het moet zoals het hoort
en niet zoals het voelt
Dat iets er met alle bombarie ís
terwijl het niet bestaat
Dat we ons groter maker
dan we zijn
zo klein

Dat er zo veel gekletst wordt
zonder iets te zeggen
dat heet geen praten
geen gesprek
dat is patsen
met je bek
Dat er zo veel gekeken wordt
zonder te zien
dat heet geen aandacht
geen gevoel
dat is weten-we-allemaal-al
en meer van zulk gebral

Dat we de perfectie uithangen
en elkaar zo goed begrijpen
Dat we elkaar durven te vertéllen
wat te doen en hoe te zijn
Dat we invullen wat een ander denkt
nee: zou móeten denken, durven, dromen
Dat we denken dat we ooit een ander kennen
met een masker op

Dat we mensen zijn die…
Dat we…
Dat versta ik niet

Advertenties
Aside | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Uitdaging: boek per week

Komen jullie ook eens kijken op mijn nieuwe blog, waar ik mezelf dit jaar uitdaag elke week een boek te lezen en daar verslag van te doen?

https://boekperweek2017.wordpress.com/

(Oké, januari is bijna voorbij en ik loop één boek achter, maar dat ga ik inhalen, beloofd).

Aside | Geplaatst op door | 1 reactie

En een fijne kerst, meneer, mevrouw

Zoals ze daar zaten;
de moeders weggezakt
in onze brakgeslapen
doorgezakte kussenbank
netjes proberend te lijken
de hakken knellend aan de voeten
voor de gelegenheid en het bezoek
Wij zagen ook wel
zonder hulp of wijn kwamen ze nooit
nee nooit meer overeind,
dit feest te boven
de haren grijzend
de brillen hangend aan een koordje
van nieuwsgierigheid naar óns
leven en de toekomst
die zij begonnen waren
en bewakend gadesloegen
met ingehouden bemoeienis
De vaders met hun ruggen
op een hoge stoel
bijeengeschoven
handen in de baard
voor semi-serieuze blikken
en een grap, roerend door de koffie
knipogend naar de grootgeworden kroost
die wij al waren
de emotie naar de vrouwen
toegeschoven en genietend
met afstandelijke warmte
Wij dan in het midden
lachend om het plaatje
en de spot die wij bedreven
wat hielden we van deze mensen
zonder dat we het zeggen konden
Woorden zouden daden worden
als zij het non-verbaal vroegen
en wij het zagen in de jaren
We proostten met de glazen
en de blikken naar elkaar
dit was weer een jaar
zoals het was
zo was het goed

Aside | Geplaatst op door | 2 reacties

Als ik mijn hoofd draai

Als ik mijn hoofd draai, komt de wereld erachteraan.

dat kreeg ik vroeger alleen van de sangria van mijn moeder
of van het kopen van de mannen in de stad
in de taxi of als ik wakker werd met al mijn kleren
aan en in mijn jas op bed
en ik niet wist hoe ik er gekomen was
thuis en dan de volgende dag

ik had het ook die hete zomerdag op het terras
toen ik jou voor de eerste keer zag je lach
je hals je gezicht oplopend rood betrapt waar men je zag
men was de wereld en ik was van jou die dag
blozend bloot op straat niet nagedacht
maar je tenen waren rood gelakt in open schoenen,
je hakken en je haren opgedoft je ogen op overstag
mijn hoofd mijn hoofd de wereld waar
erachteraan

de hele terugweg liep je met mee
veel te lang
het duurde even
toen mijn hoofd draaide
en de wereld kwam

de glans van je lippen
zacht
de wereld stil
op jou gewacht

Aside | Geplaatst op door | 1 reactie

Hekomheind

De kinderen spelen in de stilte, hekomheind, en ik hoor ze denken. Ik hoor ze schoppen, ik hoor ze trappen, tegen een bal, en denken. Ik hoor ze denken: is dit het nou? Is dit nou waar ik goed voor ben? Ik zie ze spelen achter het bord verboden toegang en ik snap het wel. Ik hoor ze, luidkeels, vloekend, het hek verlaten, de straat opgaan. Klein zijn ze nog, maar ze ogen groot in hun zwarte jacks. Ze spelen, ze laten de bal op de rand van het trottoir terugkaatsen, vlak voor mijn raam in deze godverlaten, oude wanstaltige buurt met de seksshops om de hoek waar je de achteringang kan nemen voor je privacy. Dat staat aangeplakt aan de voorkant. De straat waar je een groot deel onder een viaduct doorloopt en waar je types tegenkomt waar je bang van wordt -zou kunnen zijn-, maar die misschien net zo bang zijn -zouden kunnen zijn- als jij. Je zou ze aan willen kijken om ze te peilen, maar dat kan niet, want als je de verkeerde aankijkt, kan het met je gedaan zijn.

Zo voel ik me in deze buurt, maar eenmaal binnen ben ik in een cocon, in het midden van deze stad. Hierbinnen sluit ik alles buiten en als ik naar buiten stap, doe ik dat voorzichtig. Mijn eerste stappen wankelen van de overgang. De kinderen kijken op. De grote jassen om hun kleine lijven. Ze zien mij keurig zijn en verwachten een preek, ik zie het in hun ogen. Ze verwachten dat ik ze vermanend toespreek, dat hun bal tegen mijn raam kan komen en dat dat niet de bedoeling is. Dat hun geschreeuw en gescheld mijn woonkamer binnendringt en dat ik daar niet van gediend ben, maar ik zeg het niet. Ik zeg niets van dit alles. Ik kijk het kind aan dat naar mij opkijkt, de bal even vasthoudt en ik zeg “hoi.” Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht en ik krijg een “hoi” terug. Hij wacht tot ik voorbij ben en gooit dan opnieuw. Om de hoek hoor ik dat ze verder praten in een taal die ik niet versta, maar het gaat niet over mij, zo veel hoor ik wel.

Ik zie mezelf lopen in een ruit die is beplakt met vuilniszakken en ik denk: misschien zie ik er niet keurig uit, ik weet niet wie ik ben, ik weet niet hoe ik oog. In mijn hoofd voelt het zo stil, dat alles vanbuiten dendert en langs mij schreeuwt. Mijn hoofd is in mijn lichaam als in een cocon en de wereld schreeuwt dat ik eruit moet komen. Ik loop een heel eind en mijn voeten doen zeer. Ik loop als een model op de catwalk door de vieze stad en ik vind haar prachtig, deze stad, om alles wat ik me herinner en wat hier was. Ik loop doelgericht, ik weet dat het zo overkomt, maar ik heb geen idee, want alles is veranderd. Ik volg gewoon de paden en de mensen en de stenen tot ik zie waar ik ben en ik voel me thuis. Ik luister naar het gepraat van mensen bij een stoplicht, ik volg twee oude mannetjes op sloffen met een hond, ik hoor een meisje – een studente naar ik schat – een vrouw de weg wijzen. Ze wil wel meelopen, maar de vrouw zegt dat dat niet hoeft, zo lukt het wel, en ik volg een jongeman die rookt en uitblaast in mijn pad. Als ik opzij stap om de geur te ontwijken, wijkt hij ook naar mijn kant, maar niet expres. Hij kijkt om en ziet me en ik lach en ik adem de vieze lucht dan maar in. Het is zoals het zijn moet. Hij versnelt zijn pas, als een schichtig hert voor de loop van een jachtgeweer. Ik zie de kinderen weer voorbij komen en ik hoor de bal. Het gestuiter van de bal voelt als een hartslag. Het hek omheint en het is de wereld in het klein. De straatlantaarn verlicht het stenen pad. Er komen meer kinderen bij die minder kind zijn, misschien niet eens. Ze praten met elkaar, ze drommen op. De voetbal klopt, de voetbal houdt niet op. Het leer kapot gespeeld, het leeft. Ik speelde ook, maar anders toch.

Aside | Geplaatst op door | 2 reacties

De bomen en hun tak

Als ik terugkijk
zie ik hoe je brak
-juist niet-
maar boog;
de bomen
van hun tak

Dan zie ik je
de bocht omgaan
en uit zicht
dreig je terug
te keren;
te verdwijnen
van gemak

En altijd valt het tegen
want wat er in je hoofd
verandert, gaat niet mee
het was niet echt
geen eerlijk wegen
-we zeggen wel:
slechts schimmig schaduwspel
op goedgelovige gordijnen
gevoelloos voor gevecht-

Als ik terugkijk
zie ik hoe je brak
-juist niet-
maar boog;
de bomen
van hun tak

Ik zie je
sprongen maken
in het nauw
ik zie je
weggaan
keer op keer
stiekem bijna; gauw

En nooit werd jou
de weg versperd
je kon je gang gaan
waar je wou
strobreed of hemelslang
dwars door het behang
je kon op je kop staan – of
water laten lopen uit de kraan

Tussen massa’s muren in
zie ik jou
als jij je terugtrok;
-plaatsmakend-
voor je buigend brak;
de bomen van hun tak

De noodzaak wint altijd
maar zelden uit gemak
de boom ze kijkt je na
ze wuift zacht met haar tak

Als je terugkijkt
zie dan
dat ik je zag

Aside | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

De oorlog

Wat mij zo bedroefd maakt? De leegte. 

De leegte die met niets gevuld kan worden, ook al draag ik alles aan, met hart en meer. Het oorverdovende lawaai van die leegte. De drukte en de chaos in een stille schreeuw. Jouw tranen die uit mijn ogen komen. De allesoverheersende leegte en zinloosheid die er altijd heerst, maar niet te zien is. De manier waarop we praten alsof het niet bestaat, soms. Waarop we doen alsof, omdat we het zo graag willen. Het masker. Het gevecht. Het gevecht dat harder is dan met wat voor wapens dan ook. Pijnlijker en doeltreffender. Het gevecht vanbinnen. Er woedt een oorlog die niet naar buiten kan. Een oorlog waar niemand in de wereld iets aan doet. Hulp komt niet aan. Van geen enkele hoek in jaren. Alleen maar kunnen kijken hoe alles iedereen vermoordt in jou. Hoe alles kapot gaat. Ik zie het gebeuren. Iedereen gaat rustig slapen, en de wereld draait maar door. Bang voor de soldaten. Je angst. Je wanhoop. Je uitzichtloosheid. Midden in het slagveld staan, maar er niet aan kunnen deelnemen. Ik wil ze wel door elkaar rammen om tot besef te komen. Ik wil naar ze schreeuwen dat ze weg moeten gaan, op moeten rotten, dood moeten gaan, nooit meer terug moeten komen. Ik wil schreeuwen dat ze alles verpesten, alles wat me lief is, maar ik wil niet schreeuwen, want dat ben jij. Ik wil vechten tot ik geen stem meer heb. Als ik wist dat het zin had. Alles zou ik doen, maar je bent te sterk. Mijn ogen verdrinken. De dreiging is zo groot en ik kan het niet. Ik kan het niet meer zien, ik kan het niet meer horen. Je irriteert me, mateloos. Jij. Dit gevecht. Ik wil leven. Je maakt me bang. Ik zie alles wat er is aan mooi en goed en lief, maar ik kan het niet met je delen. De dreiging van nooit meer. Ik word ondergedompeld in jouw leegte. Je sleurt me mee, maar ik houd me vast aan de wereld. De kleine beetjes. De wereld die zo mooi is en zoveel te bieden heeft. Ik kom er niet aan toe. Je trekt zo hard en ik weet het. Ik wil je meesleuren de wereld in. Ik wil met je rennen door het gras, vallen in de zee en dansen in de wolken. Ik wil met je drinken en schaterlachen. Ik wil de wind om ons heen voelen en door ons heen. Ik wil naar je kijken als je lacht en als je het meent. Als ik iets wensen kon, dan was het geluk, geluk alleen voor jou. En mij misschien, een beetje.

Dit was niet ons plan. Dit was niet hoe het zou gaan. Ik weet het, maar laat me geloven alsjeblieft. Laat me doen zoals in mijn dromen en gedachten. Laat het zijn. Laat me leven. Ik mis je zo. Ik mis je voor de leegte. Kom je ooit nog terug? Kom je terug of ga je weg, verder dan ik kan zien van hier? Ik ga niet met je mee. Dit is het verst dat ik kan gaan. Verder buigen kan ik niet, maar ik zal blijven. Ik zal blijven waar ik ben.

Aside | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen