De binnentuin

Hij zei tegen haar, alsof het niets was: “Ik ben benieuwd waar jij nog eens terechtkomt. Dit kan zo niet. Je zult het wel moeten leren. Zo kun je ook niet functioneren in een werkomgeving. Wat voor werk denk je dat je zo kunt doen? Denk je dat je nooit hoeft te vergaderen? Te communiceren?”

Op dat moment viel hij voor haar van zijn voetstuk. En dat stond hij tot op dat moment. Ze had ontzag voor zijn ogenschijnlijke wijsheid, voor alles wat hij wist, wat hij kon vertellen, wat hij was. Ze dacht werkelijk dat hij haar verder kon helpen. Dat hij haar dingen kon leren. Daar was hij toch voor? Ze had ontzag voor hem. Zijn functietitel gaf echter maar een beperkt beeld van hem weer, ontdekte ze nu. Net zoals zij hem een beperkt beeld van haarzelf gaf. Ze kon het niet, bij hem. Ze kon niet praten. Alles kwam er anders uit, terwijl haar gedachten zo helder en zo logisch waren. Zijn manier van praten verwarde haar. Hij zag haar niet. Zijn woorden waren monologen en daar kon ze zich niet in mengen. Hij vuurde. Hij hield haar onder schot en als een kat in het nauw maakte ze rare sprongen. Dus kroop ze in haar schulp.

Daarbinnen in haar schulp echoden de zinnen, zíjn zinnen, over haar bekwaamheid in de toekomst. Ze verzette zich ertegen, want ergens wist ze dat ze wel kon waarvan hij dacht dat het onmogelijk was, maar tegelijkertijd bracht het haar aan het wankelen. Als zo iemand zoiets zei, dan moest er toch twijfel zijn? Hij had zoveel meer mensen zoals zij gezien. Hij had zoveel ervaring. Hij had zijn functie, zijn titel. Hij zat daar niet voor niets. Later zou ze zich nog jaren klein voelen als ze terugdacht aan deze zinnen. Dit volledige gebrek aan vertrouwen dat hij haar had gegeven.

Hij deed zijn best wel, op zijn manier, maar zijn manier maakte de afstand nog groter. Het was op een dag dat ze een afspraak hadden in zijn kantoor. Het was herfst en ze weet nog hoe ze met lood in haar schoenen door de stad liep, naar de grond keek. Naar de klinkers op het plein dat ze overstak. Het plein was omringd door vele bomen en de bladeren bedekten de klinkers grotendeels. Af en toe ontweek ze een regenplas. Het was droog nu. Warm zelfs, voor de tijd van het jaar. Het zonnetje brak door. De lucht voelde vrij. Ze ademde diepe teugen buitenlucht in, moedigde zichzelf aan. De stad was mooi.

De deur van zijn kantoor stond open. Toen ze aan kwam lopen, keek hij net opzij de gang in. Hij stond, achter zijn bureau. Zette zijn bril af, die aan het koordje zou kunnen blijven bungelen, maar die hij desondanks met één hand vasthield. Paperassen lagen voor hem uitgestald en hij wenkte haar. Hij begroette haar met haar naam, enthousiast, luidkeels, alsof zij een goede vriendin was die een glas wijn kwam drinken. Ze had goed aangevoeld dat hij het dit keer over een andere boeg wilde gooien, want hij greep zijn jasje van een stoel en zei, terwijl hij al in de richting van de deur liep: “Kom, we gaan even een wandelingetje maken.”

Ze sjouwde achter hem aan. De stilte was ongemakkelijk. Ze vroeg zich af wat hij van plan was. Waarom gingen ze naar buiten? En waar gingen ze dan naartoe? Eenmaal buiten liepen ze door de fraai aangelegde, eeuwenoude binnentuin van het complex. Hij trakteerde haar op wat wetenswaardigheden van de dingen die ze voorbijgingen. Over de architectuur, de beplanting. Er kwam een houten bankje in zicht. “Zullen we hier even gaan zitten?” vroeg hij terwijl hij plaatsnam. Ze vond het een mooie plek, maar ze ging niet graag naast deze man zitten. Alles in haar zei dat het er op het bankje niet beter op zou worden.

“Je loopt nogal wat vertraging op. Hoe komt dat?” Vuur! Aha, dat was het. Dát kon hij haar niet vragen in zijn kantoor. “Hoe gaat het?” Hij was hun vorige gesprek dus alweer vergeten. Ze had hem al lang laten weten hoe dat kwam en hoe het ging. Het was stil gebleven van zijn kant. Het voetstuk lag nu verbrokkeld in de binnentuin. Ze zag hem voor zich als een standbeeld op een sokkel. Hij viel om. Het hoofd van het lijf. Genadeloos. Ze had gevoelige informatie met hem gedeeld en dat was hij vergeten. Hij deed of hij haar voor het eerst sprak en geen idee had wie ze was.

Hij keek haar onderzoekend aan, maar wachtte haar antwoord niet af. “Ik moet me ook verantwoorden” en vervolgens vlogen de cijfers en percentages haar om de oren. Hij bevestigde haar onzichtbaarheid. In haar hoofd gooide ze grote, zware stenen op het vuur. Het doofde. Het siste nog een beetje na. Het smeulde. Vanaf dit moment wist ze dat ze niet meer tegen hem hoefde te praten. Niet eens proberen. Hij luisterde niet. Hij was bezig met zijn eigen verhaal. Zag haar als een schaakstuk dat hij kon verzetten, ten gunste van zijn eigen spel. Ze weigerde. Ze had het geprobeerd. Ze had zo hard geprobeerd.

 

Advertenties

De dingen, de vondsten

“Wat denk je nu?”

‘Niks.’

“Wel.”

Het was even stil.

‘Ik dacht eigenlijk dat aanraking van het gezicht één van de liefste aanrakingen is.’

Ze streelde met een paar vingers door zijn baard terwijl hij dat zei. Ze hield er even mee op toen ze de woorden op zich in liet werken. Ze ging weer verder toen ze besloot dat ze het ermee eens was. Haar hoofd lag op zijn borst. “Ja, je hebt gelijk.” Ze was blij dat hij dat vond, het gaf iets van zijn aard weer waar ze zo van hield. Hij was opmerkzaam, gevoelig, maar vooral rationeel. Hij was het die zulke dingen bedacht en ze naar het bewustzijn bracht door ze onder woorden te brengen. Zíj moest hem de dingen – de vondsten –  laten uitspreken, want anders deed hij dat niet. Ze zag aan hem wanneer het kon. Ze zag aan hem wanneer hij zou beginnen met praten als ze ernaar vroeg. En wanneer niet.

Wanneer zíj begon met praten – over échte dingen – dan had hij dat al van mijlenver aan zien komen. Ze had een lange aanlooptijd waarin alles er al op wees dat ze zou gaan storten. Eruit, haar hart. Hij zou luisteren en bevestigen hoe erg alles was – want dat was het, altijd. Daarna zou hij zeggen dat ze sterk was en dat ze dat morgen weer zou voelen. Dan lachte ze door haar tranen heen en voelde ze hoe sterk hij was.

‘Waar denk je aan?’ vroeg hij na een tijdje.

 “Aan perfectie.”

Driehoekjes

De barsten huilden over het scherm van haar telefoon, in hun wanhopige poging contact te zoeken. Rechts onderaan kwamen verschillende barsten samen om tot ontploffing te komen. Het leek alsof je de scherfjes er daar uit kon pulken, maar het lukte haar niet. Haar gelakte nagels gleden tevergeefs over de krassen. Een paar mooie driehoekjes met een flinterdun, onzichtbaar beschermlaagje. Een kunstwerk eigenlijk, ware het niet dat ze ontstaan waren in een moment waarop ze de controle verloor, toen ze de telefoon tegen de deur smeet. Controleverlies zag ze als zwakte. Het was alsof haar hersenen haar lijf niet meer bestuurden soms. Alsof haar ledematen zomaar met dingen konden gaan gooien. Alsof haar mond zomaar woorden eruit schreeuwde en ze ze achteraf pas hoorde om ze te haten. Vol weerzin luisterde ze naar de echo. Het was haar bloed dat kookte onder de oppervlakte om daarna verslagen een weg terug te zoeken. Het kon geen uiting vinden. De teleurstelling probeerde ze eraf te wassen. Weg. Weg van haar lichaam dat een eigen weg begon in te slaan. Het lichaam waar ze geen contact meer mee kon maken. Die verdomde driehoekjes moesten scherven worden, dan konden ze nog eens geluk brengen.

Moeder aller seizoenen

De felle voorjaarszon op de ontluikende knoppen aan de verse, valse, veelbelovende takken en.

Binnen. In.

De mensen die verzuchten van de zon en de lente en “heerlijk” en genieten van hun maskerende zonnebril. “Nu zal het vast beter gaan” en.

Benul.

De doornen aan de gifgroene stelen van snijbloemen in cadeaufolie met een strikje en een stickertje van de winkel, “zo attent” en.

Godverdomme. Bloed.

Spelende kinderen op de straat en.

Helemaal. Niets.

De strepen van de zon door het veel te kleine nietsbeschermende “trendy” gordijn en.

Het nognetnietvoorjaar dat mij altijd nekt.

De klap als je net dacht, en.

Bitch.

Mensenverkeer

Met het betreden van een station, stap ik in het leven. De jongen die met een grote sporttas onhandig over zijn schouder slingerend staat te vloeken bij de kaartautomaat, het echtpaar van middelbare leeftijd in hun korte broek, slippers en regenjas op het natgeregende stalen bankje in de wind, de moeder die met een bakfiets vol jengelende kinderen noodzakelijk (?) telefoonverkeer verricht, het meisje dat met een dikke stationwagen wordt afgezet op het kleine, provinciale stationnetje en naar het spoor rent op het moment dat de trein al op het punt van vertrekken staat, en… ik. We zijn er allemaal, onderweg. We maken deel uit van de krioelende structuur van menselijk verkeer. In de trein treft de jongen een vriend en ik luister naar hun gesprek terwijl de trein zich in beweging zet en de weilanden aan me voorbij flitsen. De jongen blijkt onderweg naar de introductieweek in zijn nieuwe studentenstad. Dezelfde stad als waar ik ooit begon met studeren. Ik moet glimlachen om zijn nervositeit, maar vind zijn openheid ook verrassend. Hij weet niet wat hij moet verwachten. De vriend adviseert: “Het hangt er gewoon vanaf in welk groepje je zit. Je moet gewoon zo snel mogelijk beginnen met zuipen met elkaar, dan wordt het wel een beetje gezellig.” Uit het gesprek kan ik opmaken dat de adviserende vriend dit tafereel een jaar eerder heeft meegemaakt/ondergaan. Ik denk aan hoe ik zelf op die leeftijd niet meedeed met de introductieweek, te bang, en hoe ik een paar jaar later in een andere studentenstad een ouderejaars begeleider was van zo’n zelfde introductieweek. Dan ontstaat er commotie aan de andere kant van het gangpad. Een puberstelletje. Meisje: “Weet je zeker dat je ‘m niet in je tas hebt?” Jongen: “Nee, ik heb ‘m echt niet. Ik sta helemaal te shaken man. Geef je telefoon eens? Ik moet m’n ouders bellen.” Hij ziet er lijkbleek uit. Ik denk eerst nog dat hij zijn medicijnen kwijt is en probeer me al helemaal voor te stellen hoe heldhaftig ik al dan niet zou handelen als hij hulp nodig zou hebben. De overige inzittenden van de wagon lijken zich nog geenszins zorgen te maken. Dan hoor ik: “Hoi mam, kun je even op zoekmijniphone kijken?”

Wit

Ze leek jonger geworden. Ik condoleerde haar, stelde het verdriet vast – “Ja, dat is het, verdrietig,” zei ze – en ik zag in haar ogen hoe klein ze was. Een klein meisje in een grote vrouw die al een grootmoeder was. Het was voor het eerst dat ik haar breekbaarheid zag. Dat kan de dood dus met je doen. Een masker afgooien. Moegestreden. Het stelde me op een vreemde manier gerust. Heel even, even maar, voelde ik me sterk. Dat was niet waar het om ging en de aanleiding had beter kunnen zijn, maar het voelde goed. Ik kon nog met een ander meeleven en haar zien. Ik wist niet of ik het nog had. Alles liet me koud, al lange tijd. Even, heel even maar, voelde ik de drang om er te zijn. Een fractie en het was weer weg. Ze droeg wit en de donkerte in haar ogen stak daar scherp tegen af. Ik wreef over de stof rondom mijn eigen armen. Keek ernaar. Ook wit. Mijn ogen zag ik niet.

S. W. Wuivende bomen

Ruim acht maanden geleden, op ‘stille zaterdag’, vlak voor Pasen, werd mijn zoon geboren. Terwijl op vrijdagavond op vele plekken de Matthäus Passion door het land klonk, waren bij mij ’s nachts de weeën losgebarsten en in de ochtend van zaterdag 15 april zag mijn zoon het levenslicht. Mijn eerste woorden toen ik hem zag: “Dit kan toch niet?!” Zo voel ik me nog steeds als ik naar hem kijk. Ik kan me niet voorstellen dat het mijn kind is. Groter dan dit worden de wonderen niet. Zo’n prachtmensje, zo’n heel nieuw leven. Onwerkelijk.

Meer nog dan de geboorte van een kind, vond ik het de geboorte van een moeder. Ik voel een heel duidelijke scheiding: de ‘ik’ van vóór die ene ochtend, en de ‘ik’ van daarna. Mijn zoon leeft nu ongeveer even lang buiten mijn buik als dat hij binnen gedaan heeft. Ik mis hem in mijn buik. Ik mis hem als deel van mij. Ik mis een deel van mij. Het is alsof ik naakt op een open veld sta, onbeschermd, in de stromende regen, zonder dat ik me kan verroeren. En langs de kant -op verre afstand- staan allemaal mensen te kijken en te roepen en te vinden en te denken en te doen. Sommigen heel duidelijk, bijna het veld oplopend, hun armen uitstrekkend, hun monden bewegend, anderen stiekem, glurend vanachter een boom. Ik wil een grote mantel om me heen slaan en mijn kind daarbinnen vasthouden, troosten en beschermen. Ik wil mezelf bij elkaar houden. Ik wil met een mes op al die mensen achter de bomen af rennen. Ik voel me een leeuwin bij haar welp. Ik wil naar ze schreeuwen, dat ze mij niet mogen stelen. Dat ze mij moeten laten zijn. Mij, met hem, want hij is mij. Hij is nog een beetje mij. Tegelijkertijd heb ik nog nooit zó’n grote afstand gevoeld tussen mij en andere mensen, terwijl ik hun nabijheid ook niet ken. Ik snap niet waarom ze niet dichterbij komen. Ik snap niet waarom ik niet van deze plek kom. Ik ben uit mijn oude leven gerukt en op een open veld gegooid. Achtergelaten en weggerend, vastgeketend. Gelukkig heb ik hem. En hij heeft mij. Hij zal mij altijd hebben. Steeds een beetje minder mij en een beetje meer hem. Het duurt, tijd, voor een moeder om te zien: hij is niet mij, hij hééft mij. Het weten gaat, als vanouds, het voelen voor.

Ik kom vanzelf wel weer naar de bosrand. De regen zal wel stoppen. Nu nog even niet. De vier bomen in het zicht die mij scheiden van de rest zijn de vier jaargetijden. Ze zijn kaal nu. Kaal en een beetje wit. Het is winter en ik leef een jaar geleden. De tijd komt erachteraan. Ze hobbelt achter de gebeurtenissen aan. Ik wacht haar op en ik zal haar verwelkomen en vertroetelen. Ik zal mezelf weer vinden, voor mij, maar ook voor hem. Hij is de mooiste die ik ken.

I will be.