De dingen, de vondsten

“Wat denk je nu?”

‘Niks.’

“Wel.”

Het was even stil.

‘Ik dacht eigenlijk dat aanraking van het gezicht één van de liefste aanrakingen is.’

Ze streelde met een paar vingers door zijn baard terwijl hij dat zei. Ze hield er even mee op toen ze de woorden op zich in liet werken. Ze ging weer verder toen ze besloot dat ze het ermee eens was. Haar hoofd lag op zijn borst. “Ja, je hebt gelijk.” Ze was blij dat hij dat vond, het gaf iets van zijn aard weer waar ze zo van hield. Hij was opmerkzaam, gevoelig, maar vooral rationeel. Hij was het die zulke dingen bedacht en ze naar het bewustzijn bracht door ze onder woorden te brengen. Zíj moest hem de dingen – de vondsten –  laten uitspreken, want anders deed hij dat niet. Ze zag aan hem wanneer het kon. Ze zag aan hem wanneer hij zou beginnen met praten als ze ernaar vroeg. En wanneer niet.

Wanneer zíj begon met praten – over échte dingen – dan had hij dat al van mijlenver aan zien komen. Ze had een lange aanlooptijd waarin alles er al op wees dat ze zou gaan storten. Eruit, haar hart. Hij zou luisteren en bevestigen hoe erg alles was – want dat was het, altijd. Daarna zou hij zeggen dat ze sterk was en dat ze dat morgen weer zou voelen. Dan lachte ze door haar tranen heen en voelde ze hoe sterk hij was.

‘Waar denk je aan?’ vroeg hij na een tijdje.

 “Aan perfectie.”

Driehoekjes

De barsten huilden over het scherm van haar telefoon, in hun wanhopige poging contact te zoeken. Rechts onderaan kwamen verschillende barsten samen om tot ontploffing te komen. Het leek alsof je de scherfjes er daar uit kon pulken, maar het lukte haar niet. Haar gelakte nagels gleden tevergeefs over de krassen. Een paar mooie driehoekjes met een flinterdun, onzichtbaar beschermlaagje. Een kunstwerk eigenlijk, ware het niet dat ze ontstaan waren in een moment waarop ze de controle verloor, toen ze de telefoon tegen de deur smeet. Controleverlies zag ze als zwakte. Het was alsof haar hersenen haar lijf niet meer bestuurden soms. Alsof haar ledematen zomaar met dingen konden gaan gooien. Alsof haar mond zomaar woorden eruit schreeuwde en ze ze achteraf pas hoorde om ze te haten. Vol weerzin luisterde ze naar de echo. Het was haar bloed dat kookte onder de oppervlakte om daarna verslagen een weg terug te zoeken. Het kon geen uiting vinden. De teleurstelling probeerde ze eraf te wassen. Weg. Weg van haar lichaam dat een eigen weg begon in te slaan. Het lichaam waar ze geen contact meer mee kon maken. Die verdomde driehoekjes moesten scherven worden, dan konden ze nog eens geluk brengen.

Moeder aller seizoenen

De felle voorjaarszon op de ontluikende knoppen aan de verse, valse, veelbelovende takken en.

Binnen. In.

De mensen die verzuchten van de zon en de lente en “heerlijk” en genieten van hun maskerende zonnebril. “Nu zal het vast beter gaan” en.

Benul.

De doornen aan de gifgroene stelen van snijbloemen in cadeaufolie met een strikje en een stickertje van de winkel, “zo attent” en.

Godverdomme. Bloed.

Spelende kinderen op de straat en.

Helemaal. Niets.

De strepen van de zon door het veel te kleine nietsbeschermende “trendy” gordijn en.

Het nognetnietvoorjaar dat mij altijd nekt.

De klap als je net dacht, en.

Bitch.

Mensenverkeer

Met het betreden van een station, stap ik in het leven. De jongen die met een grote sporttas onhandig over zijn schouder slingerend staat te vloeken bij de kaartautomaat, het echtpaar van middelbare leeftijd in hun korte broek, slippers en regenjas op het natgeregende stalen bankje in de wind, de moeder die met een bakfiets vol jengelende kinderen noodzakelijk (?) telefoonverkeer verricht, het meisje dat met een dikke stationwagen wordt afgezet op het kleine, provinciale stationnetje en naar het spoor rent op het moment dat de trein al op het punt van vertrekken staat, en… ik. We zijn er allemaal, onderweg. We maken deel uit van de krioelende structuur van menselijk verkeer. In de trein treft de jongen een vriend en ik luister naar hun gesprek terwijl de trein zich in beweging zet en de weilanden aan me voorbij flitsen. De jongen blijkt onderweg naar de introductieweek in zijn nieuwe studentenstad. Dezelfde stad als waar ik ooit begon met studeren. Ik moet glimlachen om zijn nervositeit, maar vind zijn openheid ook verrassend. Hij weet niet wat hij moet verwachten. De vriend adviseert: “Het hangt er gewoon vanaf in welk groepje je zit. Je moet gewoon zo snel mogelijk beginnen met zuipen met elkaar, dan wordt het wel een beetje gezellig.” Uit het gesprek kan ik opmaken dat de adviserende vriend dit tafereel een jaar eerder heeft meegemaakt/ondergaan. Ik denk aan hoe ik zelf op die leeftijd niet meedeed met de introductieweek, te bang, en hoe ik een paar jaar later in een andere studentenstad een ouderejaars begeleider was van zo’n zelfde introductieweek. Dan ontstaat er commotie aan de andere kant van het gangpad. Een puberstelletje. Meisje: “Weet je zeker dat je ‘m niet in je tas hebt?” Jongen: “Nee, ik heb ‘m echt niet. Ik sta helemaal te shaken man. Geef je telefoon eens? Ik moet m’n ouders bellen.” Hij ziet er lijkbleek uit. Ik denk eerst nog dat hij zijn medicijnen kwijt is en probeer me al helemaal voor te stellen hoe heldhaftig ik al dan niet zou handelen als hij hulp nodig zou hebben. De overige inzittenden van de wagon lijken zich nog geenszins zorgen te maken. Dan hoor ik: “Hoi mam, kun je even op zoekmijniphone kijken?”

Wit

Ze leek jonger geworden. Ik condoleerde haar, stelde het verdriet vast – “Ja, dat is het, verdrietig,” zei ze – en ik zag in haar ogen hoe klein ze was. Een klein meisje in een grote vrouw die al een grootmoeder was. Het was voor het eerst dat ik haar breekbaarheid zag. Dat kan de dood dus met je doen. Een masker afgooien. Moegestreden. Het stelde me op een vreemde manier gerust. Heel even, even maar, voelde ik me sterk. Dat was niet waar het om ging en de aanleiding had beter kunnen zijn, maar het voelde goed. Ik kon nog met een ander meeleven en haar zien. Ik wist niet of ik het nog had. Alles liet me koud, al lange tijd. Even, heel even maar, voelde ik de drang om er te zijn. Een fractie en het was weer weg. Ze droeg wit en de donkerte in haar ogen stak daar scherp tegen af. Ik wreef over de stof rondom mijn eigen armen. Keek ernaar. Ook wit. Mijn ogen zag ik niet.

Herfst in de vier

De bomen staan scheef, de wolken drijven over. Het is augustus en ik nies. Een zwerm mini-spreeuwtjes vliegt over. Een paar auto’s in onnatuurlijke kleuren (paars, rood) rijden als verdwaald door de verder stille omgeving. De huizen liggen er verlaten bij. Vakantievierende bewoners hebben hun heil elders gezocht voor de zomer. Ze zijn op weg gegaan naar verre oorden met schreeuwende kinderen op de achterbank. De zomer die wel herfst lijkt. Vier scheve bomen zijn het, hoog en sterk en vol blad dat beschutting biedt. Het blad heb ik zien ontstaan. Bijna stuk voor stuk. Traag heb ik ze zien verschijnen, als beloftes van een leven lang.

De stammen staan scheef, de bomen leunen naar links. Ineens staan ze symbool voor de vier seizoenen, zoals ze daar naast elkaar staan. Muziek van Vivaldi zwelt aan in mijn hoofd. Ik zie vier scheve bomen en ik hoor de wind. Ruiken past er niet bij. Het raam zit dicht, er was een herriemakende hoosbui vannacht. Als mijn blik langs de bomen glijdt, wisselen de seizoenen elkaar in razendsnel tempo af. Het beeld versnelt. De terugblik op een jaar, zo gaat het ook in mijn hoofd, vooral als ik wil slapen, maar ook op willekeurig andere momenten. Zomer nu en veel. Er zijn nog veel meer bomen, verder nog, de wereld in. Ik adem ze op, ik snuif ze in. Ik kan niet meer kijken door het glas, al weet ik dat het mooi is, binnen en ook buiten. Ademen. Adem dan!

Contrasten zijn groot. De zonnebloemen laten na een warme dag hun hoofd hangen, terwijl de regen zich de volgende dag aftekent op de achtergrond. Alles wordt groener dan groen. De vier bomen roerloos, gelaten. Daarachter begint de wereld. De wereld roept, maar wacht.

Oktober en het waait nu wel erg hard. De zomer heeft niet eens bestaan. Ik moet terugschakelen naar een andere boom. De vertraging duurt gewoon te lang, maakt me bang. Niet nagekomen beloftes waaien weg, dwarrelen naar de vergetelheid.

En een fijne kerst, meneer, mevrouw

Zoals ze daar zaten;
de moeders weggezakt
in onze brakgeslapen
doorgezakte kussenbank
netjes proberend te lijken
de hakken knellend aan de voeten
voor de gelegenheid en het bezoek
Wij zagen ook wel
zonder hulp of wijn kwamen ze nooit
nee nooit meer overeind,
dit feest te boven
de haren grijzend
de brillen hangend aan een koordje
van nieuwsgierigheid naar óns
leven en de toekomst
die zij begonnen waren
en bewakend gadesloegen
met ingehouden bemoeienis
De vaders met hun ruggen
op een hoge stoel
bijeengeschoven
handen in de baard
voor semi-serieuze blikken
en een grap, roerend door de koffie
knipogend naar de grootgeworden kroost
die wij al waren
de emotie naar de vrouwen
toegeschoven en genietend
met afstandelijke warmte
Wij dan in het midden
lachend om het plaatje
en de spot die wij bedreven
wat hielden we van deze mensen
zonder dat we het zeggen konden
Woorden zouden daden worden
als zij het non-verbaal vroegen
en wij het zagen in de jaren
We proostten met de glazen
en de blikken naar elkaar
dit was weer een jaar
zoals het was
zo was het goed

Hekomheind

De kinderen spelen in de stilte, hekomheind, en ik hoor ze denken. Ik hoor ze schoppen, ik hoor ze trappen, tegen een bal, en denken. Ik hoor ze denken: is dit het nou? Is dit nou waar ik goed voor ben? Ik zie ze spelen achter het bord verboden toegang en ik snap het wel. Ik hoor ze, luidkeels, vloekend, het hek verlaten, de straat opgaan. Klein zijn ze nog, maar ze ogen groot in hun zwarte jacks. Ze spelen, ze laten de bal op de rand van het trottoir terugkaatsen, vlak voor mijn raam in deze godverlaten, oude wanstaltige buurt met de seksshops om de hoek waar je de achteringang kan nemen voor je privacy. Dat staat aangeplakt aan de voorkant. De straat waar je een groot deel onder een viaduct doorloopt en waar je types tegenkomt waar je bang van wordt -zou kunnen zijn-, maar die misschien net zo bang zijn -zouden kunnen zijn- als jij. Je zou ze aan willen kijken om ze te peilen, maar dat kan niet, want als je de verkeerde aankijkt, kan het met je gedaan zijn.

Zo voel ik me in deze buurt, maar eenmaal binnen ben ik in een cocon, in het midden van deze stad. Hierbinnen sluit ik alles buiten en als ik naar buiten stap, doe ik dat voorzichtig. Mijn eerste stappen wankelen van de overgang. De kinderen kijken op. De grote jassen om hun kleine lijven. Ze zien mij keurig zijn en verwachten een preek, ik zie het in hun ogen. Ze verwachten dat ik ze vermanend toespreek, dat hun bal tegen mijn raam kan komen en dat dat niet de bedoeling is. Dat hun geschreeuw en gescheld mijn woonkamer binnendringt en dat ik daar niet van gediend ben, maar ik zeg het niet. Ik zeg niets van dit alles. Ik kijk het kind aan dat naar mij opkijkt, de bal even vasthoudt en ik zeg “hoi.” Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht en ik krijg een “hoi” terug. Hij wacht tot ik voorbij ben en gooit dan opnieuw. Om de hoek hoor ik dat ze verder praten in een taal die ik niet versta, maar het gaat niet over mij, zo veel hoor ik wel.

Ik zie mezelf lopen in een ruit die is beplakt met vuilniszakken en ik denk: misschien zie ik er niet keurig uit, ik weet niet wie ik ben, ik weet niet hoe ik oog. In mijn hoofd voelt het zo stil, dat alles vanbuiten dendert en langs mij schreeuwt. Mijn hoofd is in mijn lichaam als in een cocon en de wereld schreeuwt dat ik eruit moet komen. Ik loop een heel eind en mijn voeten doen zeer. Ik loop als een model op de catwalk door de vieze stad en ik vind haar prachtig, deze stad, om alles wat ik me herinner en wat hier was. Ik loop doelgericht, ik weet dat het zo overkomt, maar ik heb geen idee, want alles is veranderd. Ik volg gewoon de paden en de mensen en de stenen tot ik zie waar ik ben en ik voel me thuis. Ik luister naar het gepraat van mensen bij een stoplicht, ik volg twee oude mannetjes op sloffen met een hond, ik hoor een meisje – een studente naar ik schat – een vrouw de weg wijzen. Ze wil wel meelopen, maar de vrouw zegt dat dat niet hoeft, zo lukt het wel, en ik volg een jongeman die rookt en uitblaast in mijn pad. Als ik opzij stap om de geur te ontwijken, wijkt hij ook naar mijn kant, maar niet expres. Hij kijkt om en ziet me en ik lach en ik adem de vieze lucht dan maar in. Het is zoals het zijn moet. Hij versnelt zijn pas, als een schichtig hert voor de loop van een jachtgeweer. Ik zie de kinderen weer voorbij komen en ik hoor de bal. Het gestuiter van de bal voelt als een hartslag. Het hek omheint en het is de wereld in het klein. De straatlantaarn verlicht het stenen pad. Er komen meer kinderen bij die minder kind zijn, misschien niet eens. Ze praten met elkaar, ze drommen op. De voetbal klopt, de voetbal houdt niet op. Het leer kapot gespeeld, het leeft. Ik speelde ook, maar anders toch.

De bomen en hun tak

Als ik terugkijk
zie ik hoe je brak
-juist niet-
maar boog;
de bomen
van hun tak

Dan zie ik je
de bocht omgaan
en uit zicht
dreig je terug
te keren;
te verdwijnen
van gemak

En altijd valt het tegen
want wat er in je hoofd
verandert, gaat niet mee
het was niet echt
geen eerlijk wegen
-we zeggen wel:
slechts schimmig schaduwspel
op goedgelovige gordijnen
gevoelloos voor gevecht-

Als ik terugkijk
zie ik hoe je brak
-juist niet-
maar boog;
de bomen
van hun tak

Ik zie je
sprongen maken
in het nauw
ik zie je
weggaan
keer op keer
stiekem bijna; gauw

En nooit werd jou
de weg versperd
je kon je gang gaan
waar je wou
strobreed of hemelslang
dwars door het behang
je kon op je kop staan – of
water laten lopen uit de kraan

Tussen massa’s muren in
zie ik jou
als jij je terugtrok;
-plaatsmakend-
voor je buigend brak;
de bomen van hun tak

De noodzaak wint altijd
maar zelden uit gemak
de boom ze kijkt je na
ze wuift zacht met haar tak

Als je terugkijkt
zie dan
dat ik je zag

De oorlog

Wat mij zo bedroefd maakt? De leegte. 

De leegte die met niets gevuld kan worden, ook al draag ik alles aan, met hart en meer. Het oorverdovende lawaai van die leegte. De drukte en de chaos in een stille schreeuw. Jouw tranen die uit mijn ogen komen. De allesoverheersende leegte en zinloosheid die er altijd heerst, maar niet te zien is. De manier waarop we praten alsof het niet bestaat, soms. Waarop we doen alsof, omdat we het zo graag willen. Het masker. Het gevecht. Het gevecht dat harder is dan met wat voor wapens dan ook. Pijnlijker en doeltreffender. Het gevecht vanbinnen. Er woedt een oorlog die niet naar buiten kan. Een oorlog waar niemand in de wereld iets aan doet. Hulp komt niet aan. Van geen enkele hoek in jaren. Alleen maar kunnen kijken hoe alles iedereen vermoordt in jou. Hoe alles kapot gaat. Ik zie het gebeuren. Iedereen gaat rustig slapen, en de wereld draait maar door. Bang voor de soldaten. Je angst. Je wanhoop. Je uitzichtloosheid. Midden in het slagveld staan, maar er niet aan kunnen deelnemen. Ik wil ze wel door elkaar rammen om tot besef te komen. Ik wil naar ze schreeuwen dat ze weg moeten gaan, op moeten rotten, dood moeten gaan, nooit meer terug moeten komen. Ik wil schreeuwen dat ze alles verpesten, alles wat me lief is, maar ik wil niet schreeuwen, want dat ben jij. Ik wil vechten tot ik geen stem meer heb. Als ik wist dat het zin had. Alles zou ik doen, maar je bent te sterk. Mijn ogen verdrinken. De dreiging is zo groot en ik kan het niet. Ik kan het niet meer zien, ik kan het niet meer horen. Je irriteert me, mateloos. Jij. Dit gevecht. Ik wil leven. Je maakt me bang. Ik zie alles wat er is aan mooi en goed en lief, maar ik kan het niet met je delen. De dreiging van nooit meer. Ik word ondergedompeld in jouw leegte. Je sleurt me mee, maar ik houd me vast aan de wereld. De kleine beetjes. De wereld die zo mooi is en zoveel te bieden heeft. Ik kom er niet aan toe. Je trekt zo hard en ik weet het. Ik wil je meesleuren de wereld in. Ik wil met je rennen door het gras, vallen in de zee en dansen in de wolken. Ik wil met je drinken en schaterlachen. Ik wil de wind om ons heen voelen en door ons heen. Ik wil naar je kijken als je lacht en als je het meent. Als ik iets wensen kon, dan was het geluk, geluk alleen voor jou. En mij misschien, een beetje.

Dit was niet ons plan. Dit was niet hoe het zou gaan. Ik weet het, maar laat me geloven alsjeblieft. Laat me doen zoals in mijn dromen en gedachten. Laat het zijn. Laat me leven. Ik mis je zo. Ik mis je voor de leegte. Kom je ooit nog terug? Kom je terug of ga je weg, verder dan ik kan zien van hier? Ik ga niet met je mee. Dit is het verst dat ik kan gaan. Verder buigen kan ik niet, maar ik zal blijven. Ik zal blijven waar ik ben.