Wit

Ze leek jonger geworden. Ik condoleerde haar, stelde het verdriet vast – “Ja, dat is het, verdrietig,” zei ze – en ik zag in haar ogen hoe klein ze was. Een klein meisje in een grote vrouw die al een grootmoeder was. Het was voor het eerst dat ik haar breekbaarheid zag. Dat kan de dood dus met je doen. Een masker afgooien. Moegestreden. Het stelde me op een vreemde manier gerust. Heel even, even maar, voelde ik me sterk. Dat was niet waar het om ging en de aanleiding had beter kunnen zijn, maar het voelde goed. Ik kon nog met een ander meeleven en haar zien. Ik wist niet of ik het nog had. Alles liet me koud, al lange tijd. Even, heel even maar, voelde ik de drang om er te zijn. Een fractie en het was weer weg. Ze droeg wit en de donkerte in haar ogen stak daar scherp tegen af. Ik wreef over de stof rondom mijn eigen armen. Keek ernaar. Ook wit. Mijn ogen zag ik niet.

Advertenties

S. W. Wuivende bomen

Ruim acht maanden geleden, op ‘stille zaterdag’, vlak voor Pasen, werd mijn zoon geboren. Terwijl op vrijdagavond op vele plekken de Matthäus Passion door het land klonk, waren bij mij ’s nachts de weeën losgebarsten en in de ochtend van zaterdag 15 april zag mijn zoon het levenslicht. Mijn eerste woorden toen ik hem zag: “Dit kan toch niet?!” Zo voel ik me nog steeds als ik naar hem kijk. Ik kan me niet voorstellen dat het mijn kind is. Groter dan dit worden de wonderen niet. Zo’n prachtmensje, zo’n heel nieuw leven. Onwerkelijk.

Meer nog dan de geboorte van een kind, vond ik het de geboorte van een moeder. Ik voel een heel duidelijke scheiding: de ‘ik’ van vóór die ene ochtend, en de ‘ik’ van daarna. Mijn zoon leeft nu ongeveer even lang buiten mijn buik als dat hij binnen gedaan heeft. Ik mis hem in mijn buik. Ik mis hem als deel van mij. Ik mis een deel van mij. Het is alsof ik naakt op een open veld sta, onbeschermd, in de stromende regen, zonder dat ik me kan verroeren. En langs de kant -op verre afstand- staan allemaal mensen te kijken en te roepen en te vinden en te denken en te doen. Sommigen heel duidelijk, bijna het veld oplopend, hun armen uitstrekkend, hun monden bewegend, anderen stiekem, glurend vanachter een boom. Ik wil een grote mantel om me heen slaan en mijn kind daarbinnen vasthouden, troosten en beschermen. Ik wil mezelf bij elkaar houden. Ik wil met een mes op al die mensen achter de bomen af rennen. Ik voel me een leeuwin bij haar welp. Ik wil naar ze schreeuwen, dat ze mij niet mogen stelen. Dat ze mij moeten laten zijn. Mij, met hem, want hij is mij. Hij is nog een beetje mij. Tegelijkertijd heb ik nog nooit zó’n grote afstand gevoeld tussen mij en andere mensen, terwijl ik hun nabijheid ook niet ken. Ik snap niet waarom ze niet dichterbij komen. Ik snap niet waarom ik niet van deze plek kom. Ik ben uit mijn oude leven gerukt en op een open veld gegooid. Achtergelaten en weggerend, vastgeketend. Gelukkig heb ik hem. En hij heeft mij. Hij zal mij altijd hebben. Steeds een beetje minder mij en een beetje meer hem. Het duurt, tijd, voor een moeder om te zien: hij is niet mij, hij hééft mij. Het weten gaat, als vanouds, het voelen voor.

Ik kom vanzelf wel weer naar de bosrand. De regen zal wel stoppen. Nu nog even niet. De vier bomen in het zicht die mij scheiden van de rest zijn de vier jaargetijden. Ze zijn kaal nu. Kaal en een beetje wit. Het is winter en ik leef een jaar geleden. De tijd komt erachteraan. Ze hobbelt achter de gebeurtenissen aan. Ik wacht haar op en ik zal haar verwelkomen en vertroetelen. Ik zal mezelf weer vinden, voor mij, maar ook voor hem. Hij is de mooiste die ik ken.

I will be.

Herfst in de vier

De bomen staan scheef, de wolken drijven over. Het is augustus en ik nies. Een zwerm mini-spreeuwtjes vliegt over. Een paar auto’s in onnatuurlijke kleuren (paars, rood) rijden als verdwaald door de verder stille omgeving. De huizen liggen er verlaten bij. Vakantievierende bewoners hebben hun heil elders gezocht voor de zomer. Ze zijn op weg gegaan naar verre oorden met schreeuwende kinderen op de achterbank. De zomer die wel herfst lijkt. Vier scheve bomen zijn het, hoog en sterk en vol blad dat beschutting biedt. Het blad heb ik zien ontstaan. Bijna stuk voor stuk. Traag heb ik ze zien verschijnen, als beloftes van een leven lang.

De stammen staan scheef, de bomen leunen naar links. Ineens staan ze symbool voor de vier seizoenen, zoals ze daar naast elkaar staan. Muziek van Vivaldi zwelt aan in mijn hoofd. Ik zie vier scheve bomen en ik hoor de wind. Ruiken past er niet bij. Het raam zit dicht, er was een herriemakende hoosbui vannacht. Als mijn blik langs de bomen glijdt, wisselen de seizoenen elkaar in razendsnel tempo af. Het beeld versnelt. De terugblik op een jaar, zo gaat het ook in mijn hoofd, vooral als ik wil slapen, maar ook op willekeurig andere momenten. Zomer nu en veel. Er zijn nog veel meer bomen, verder nog, de wereld in. Ik adem ze op, ik snuif ze in. Ik kan niet meer kijken door het glas, al weet ik dat het mooi is, binnen en ook buiten. Ademen. Adem dan!

Contrasten zijn groot. De zonnebloemen laten na een warme dag hun hoofd hangen, terwijl de regen zich de volgende dag aftekent op de achtergrond. Alles wordt groener dan groen. De vier bomen roerloos, gelaten. Daarachter begint de wereld. De wereld roept, maar wacht.

Oktober en het waait nu wel erg hard. De zomer heeft niet eens bestaan. Ik moet terugschakelen naar een andere boom. De vertraging duurt gewoon te lang, maakt me bang. Niet nagekomen beloftes waaien weg, dwarrelen naar de vergetelheid.

Waarom?

Mijn nichtje, volwassen nu, had als kind eens aan haar juf gevraagd: waarom worden we geboren en waarom bestaan we, om straks weer te gaan? Ze had deze zinnen opgevangen in een liedje van Marco Borsato. Ik vond het zo mooi dat ze dat had gevraagd, in deze bewoordingen. In groep 4 zat ze. Ik vond het getuigen van een tact en een gevoeligheid en een analytisch vermogen en een bewustwording van het leven en… nu ja, gewoon, van Ontdekking. Van onschuld bovendien. Het kind dat zich dingen af gaat vragen. In de mooiste woorden. Het kind dat écht luistert naar de woorden in een volwassen lied. Ik zag haar gaaf gezichtje met wat wilde plukken haar eromheen voor me. Rode blosjes op de wangen van de opwinding, van het spelen. En dan die grote ogen. En dat dan die vraag in haar opkomt en vooral ook: dat ze die dan stelt. Dat ze denkt: hee, ik hoor het antwoord helemaal niet in dat liedje. En dat die vraag dan voor haar juf vanuit het niets kwam. De juf die deze zinnen misschien níet herkende uit het liedje. De juf die dan denkt: jezus, hoe komt dat kind hierop? Wat moet ik daar nu mee? Hoe kan ik daar in hemelsnaam antwoord op geven? Ik zag het helemaal voor me, toen al, terwijl ik zelf ook nog niet veel meer dan een kind was.

Ik was er niet bij, maar ik had ‘via via’ over dit voorval gehoord. Ik moest denken aan mijn eigen meester uit groep 4 en stelde me voor hoe hij gereageerd zou hebben. De man met het grijswitte haar en de bril met het dikke, zwarte montuur. De brillenglazen waren zó dik dat je zijn ogen slechts als een waas zag. De man met de stem van een verstokte roker. De man met de brede stoppelkaken. Zijn stoppels waren ook grijswit, maar zo oud was hij volgens mij nog niet. In de veertig. Als hij liep -of gewoon maar bewoog- dan zwiepte zijn piekhaar heen en weer en dan zag je de rode hoofdhuid eronder. Zijn bewegingen kwamen altijd heftig over en zijn grondhouding was altijd een beetje boos. Ik geloof niet dat hij echt boos was, maar zo stonden de groeven in zijn gezicht gewoon. Als hij lachte, herkende je het pas als je ín zijn ogen keek (en dat was een hele opgave, met die brillenglazen ervoor). Het bulderend geluid erbij was eerder beangstigend, zeker voor een kind. Niet echt een prototype ‘meester groep 4′, maar ik mocht hem. Hij boezemde ontzag in. Ik wou dat ik hem zo’n vraag had durven stellen, al denk ik dat hij hem had weggewuifd. Ik denk dat hij gauw over iets anders begonnen was. Ontwijken is ook antwoorden.

Wat de juf van mijn nichtje heeft geantwoord, weet ik niet. Daar ging het ook niet om.

 

En een fijne kerst, meneer, mevrouw

Zoals ze daar zaten;
de moeders weggezakt
in onze brakgeslapen
doorgezakte kussenbank
netjes proberend te lijken
de hakken knellend aan de voeten
voor de gelegenheid en het bezoek
Wij zagen ook wel
zonder hulp of wijn kwamen ze nooit
nee nooit meer overeind,
dit feest te boven
de haren grijzend
de brillen hangend aan een koordje
van nieuwsgierigheid naar óns
leven en de toekomst
die zij begonnen waren
en bewakend gadesloegen
met ingehouden bemoeienis
De vaders met hun ruggen
op een hoge stoel
bijeengeschoven
handen in de baard
voor semi-serieuze blikken
en een grap, roerend door de koffie
knipogend naar de grootgeworden kroost
die wij al waren
de emotie naar de vrouwen
toegeschoven en genietend
met afstandelijke warmte
Wij dan in het midden
lachend om het plaatje
en de spot die wij bedreven
wat hielden we van deze mensen
zonder dat we het zeggen konden
Woorden zouden daden worden
als zij het non-verbaal vroegen
en wij het zagen in de jaren
We proostten met de glazen
en de blikken naar elkaar
dit was weer een jaar
zoals het was
zo was het goed

Hekomheind

De kinderen spelen in de stilte, hekomheind, en ik hoor ze denken. Ik hoor ze schoppen, ik hoor ze trappen, tegen een bal, en denken. Ik hoor ze denken: is dit het nou? Is dit nou waar ik goed voor ben? Ik zie ze spelen achter het bord verboden toegang en ik snap het wel. Ik hoor ze, luidkeels, vloekend, het hek verlaten, de straat opgaan. Klein zijn ze nog, maar ze ogen groot in hun zwarte jacks. Ze spelen, ze laten de bal op de rand van het trottoir terugkaatsen, vlak voor mijn raam in deze godverlaten, oude wanstaltige buurt met de seksshops om de hoek waar je de achteringang kan nemen voor je privacy. Dat staat aangeplakt aan de voorkant. De straat waar je een groot deel onder een viaduct doorloopt en waar je types tegenkomt waar je bang van wordt -zou kunnen zijn-, maar die misschien net zo bang zijn -zouden kunnen zijn- als jij. Je zou ze aan willen kijken om ze te peilen, maar dat kan niet, want als je de verkeerde aankijkt, kan het met je gedaan zijn.

Zo voel ik me in deze buurt, maar eenmaal binnen ben ik in een cocon, in het midden van deze stad. Hierbinnen sluit ik alles buiten en als ik naar buiten stap, doe ik dat voorzichtig. Mijn eerste stappen wankelen van de overgang. De kinderen kijken op. De grote jassen om hun kleine lijven. Ze zien mij keurig zijn en verwachten een preek, ik zie het in hun ogen. Ze verwachten dat ik ze vermanend toespreek, dat hun bal tegen mijn raam kan komen en dat dat niet de bedoeling is. Dat hun geschreeuw en gescheld mijn woonkamer binnendringt en dat ik daar niet van gediend ben, maar ik zeg het niet. Ik zeg niets van dit alles. Ik kijk het kind aan dat naar mij opkijkt, de bal even vasthoudt en ik zeg “hoi.” Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht en ik krijg een “hoi” terug. Hij wacht tot ik voorbij ben en gooit dan opnieuw. Om de hoek hoor ik dat ze verder praten in een taal die ik niet versta, maar het gaat niet over mij, zo veel hoor ik wel.

Ik zie mezelf lopen in een ruit die is beplakt met vuilniszakken en ik denk: misschien zie ik er niet keurig uit, ik weet niet wie ik ben, ik weet niet hoe ik oog. In mijn hoofd voelt het zo stil, dat alles vanbuiten dendert en langs mij schreeuwt. Mijn hoofd is in mijn lichaam als in een cocon en de wereld schreeuwt dat ik eruit moet komen. Ik loop een heel eind en mijn voeten doen zeer. Ik loop als een model op de catwalk door de vieze stad en ik vind haar prachtig, deze stad, om alles wat ik me herinner en wat hier was. Ik loop doelgericht, ik weet dat het zo overkomt, maar ik heb geen idee, want alles is veranderd. Ik volg gewoon de paden en de mensen en de stenen tot ik zie waar ik ben en ik voel me thuis. Ik luister naar het gepraat van mensen bij een stoplicht, ik volg twee oude mannetjes op sloffen met een hond, ik hoor een meisje – een studente naar ik schat – een vrouw de weg wijzen. Ze wil wel meelopen, maar de vrouw zegt dat dat niet hoeft, zo lukt het wel, en ik volg een jongeman die rookt en uitblaast in mijn pad. Als ik opzij stap om de geur te ontwijken, wijkt hij ook naar mijn kant, maar niet expres. Hij kijkt om en ziet me en ik lach en ik adem de vieze lucht dan maar in. Het is zoals het zijn moet. Hij versnelt zijn pas, als een schichtig hert voor de loop van een jachtgeweer. Ik zie de kinderen weer voorbij komen en ik hoor de bal. Het gestuiter van de bal voelt als een hartslag. Het hek omheint en het is de wereld in het klein. De straatlantaarn verlicht het stenen pad. Er komen meer kinderen bij die minder kind zijn, misschien niet eens. Ze praten met elkaar, ze drommen op. De voetbal klopt, de voetbal houdt niet op. Het leer kapot gespeeld, het leeft. Ik speelde ook, maar anders toch.

De bomen en hun tak

Als ik terugkijk
zie ik hoe je brak
-juist niet-
maar boog;
de bomen
van hun tak

Dan zie ik je
de bocht omgaan
en uit zicht
dreig je terug
te keren;
te verdwijnen
van gemak

En altijd valt het tegen
want wat er in je hoofd
verandert, gaat niet mee
het was niet echt
geen eerlijk wegen
-we zeggen wel:
slechts schimmig schaduwspel
op goedgelovige gordijnen
gevoelloos voor gevecht-

Als ik terugkijk
zie ik hoe je brak
-juist niet-
maar boog;
de bomen
van hun tak

Ik zie je
sprongen maken
in het nauw
ik zie je
weggaan
keer op keer
stiekem bijna; gauw

En nooit werd jou
de weg versperd
je kon je gang gaan
waar je wou
strobreed of hemelslang
dwars door het behang
je kon op je kop staan – of
water laten lopen uit de kraan

Tussen massa’s muren in
zie ik jou
als jij je terugtrok;
-plaatsmakend-
voor je buigend brak;
de bomen van hun tak

De noodzaak wint altijd
maar zelden uit gemak
de boom ze kijkt je na
ze wuift zacht met haar tak

Als je terugkijkt
zie dan
dat ik je zag